27 juli 2014

"Zij was eerder met een Den Boef getrouwd"

Al sinds in 1975 mijn tante met haar oom trouwde ben ik bevriend met Trea den Boef. Op een gegeven moment leek het me wel interessant om ook eens naar haar voorouders te speuren en vroeg haar om informatie. In haar familie ging het verhaal dat er een Margrita Johanna was geweest, die was getrouwd met een Pietjouw "en uit een eerder huwelijk met een Den Boef nog een zoon Nicolaas had".
 
Toen ik in 2003 begon te zoeken in het archief in de citadel in 's-Hertogenbosch, bleek dat het verhaal toch iets anders in elkaar zat dan de familie dacht. Adriaan Pietjouw (1848-1892) was, als weduwnaar van Huiberdina Molendijk (1840-1876), op 29-6-1876 getrouwd met Margrita Johanna den Boef.
 
Margarita Johanna den Boef was geboren op 22-2-1852 in Dinteloord als tweede dochter van Nicolaas den Boef (1822-1867) en Johanna de Pender. Op 27-7-1873 in Dinteloord had zij als ongehuwde moeder een zoon gekregen, die zij naar haar vader Nicolaas had genoemd. De geboorte werd de volgende dag aangegeven door de vroedvrouw, Adriana Louisa Rust.

Geboorteinschrijving van Nicolaas den Boef op 28-7-1873 in Dinteloord

In haar huwelijk, dat 3 jaar later plaats had, baarde Margarita Johanna den Boef nog 6 kinderen, waarvan alleen haar dochters Cornelia en Johanna de volwassen leeftijd bereikten. Cornelia Pietjouw (1878-1965) huwde een ver familielid, Hermanus de Pender (1877-1965). Johanna Pietjouw trouwde Jan van Sabben (±1879-1946) en kreeg 3 kinderen, waaronder Margaretha Johanna van Sabben (1913-1999), die rond 1950 met de weduwnaar Nicolaas den Boef zou trouwen.
 
De in 1873 als buitenechtelijk kind geboren Nicolaas den Boef was op 15-8-1879 getrouwd met Adriana Wilhelmina "Naantje" Provilij. Zij kregen 5 kinderen. De jongste was Nicolaas den Boef (1905-1971), die in 1934 trouwde met Trijntje van den Burght (1896-1942) en rond 1950 met zijn halfnicht Margaretha Johanna van Sabben. Zij schijnt een typisch voorbeeld van een "boze stiefmoeder" te zijn geweest voor zijn enig kind uit zijn eerste huwelijk. Dat kind is de vader van mijn vriendin Trea.

22 juli 2014

Klaartje Maartens Kluifhoofd, weduwe van Pieter Bos

Klaartje Maartens Kluifhoofd, weduwe van Pieter Bos te Nieuwenhoorn, bekent - t.b.v. haar nog minderjarige zoon Aalbrecht Bos - aan de weduwe en de voogden in de boedel van Jan Keiser een schuld van ƒ 500. Dat geld zal worden aangewend voor de koop van een huis met bakkerij te Klaaswaal t.b.v. genoemde zoon. Klaartje verbindt hiervoor al haar goederen.

Nieuwenhoorn in 1712
Borgen zijn Pieter Maartens Kluifhoofd, schepen van Nieuw Helvoet, Hugo Bos schoolmeester aldaar, en Grietje Jans van de Polder, weduwe van Maarten Laurens Kluifhoofd, wonend te Nieuwenhoorn, en Kornelis Hoogwerf wonend onder Nieuwenhoorn. Getuige is Arie Groeneveld.
Deze schuldbrief werd op 22-7-1742 opgemaakt door notaris Pieter de Graeff Isaaksz.  

Klaartje Kluifhoofd was op 11-8-1697 in Nieuwenhoorn gedoopt als jongere dochter van Maarten Lauwerens Kluifhoofd en Grietje Jans van de Polder. Op 20-8-1721 in Klaaswaal is zij getrouwd met Pieter Aelbregtsz Bos. Pieter was op 13-4-1698 in Nieuwenhoorn gedoopt als zoon van mr. Aalbregt Pietersz Bos(ch) en Maertje Willems van Dobbe. Pieter had een jongere broer Hugo en zowel Pieter als Hugo lieten een zoon dopen met de naam  Aalbregt. Bovengenoemde Aalbregt Bos werd gedoopt op 1-11-1722 in Klaaswaal en was dus nog net geen 20 jaar oud, toen zijn moeder een bakkerij te Klaaswaal voor hem kocht. 

Aalbregt Bos trouwde op 16-10-1746 in Klaaswaal met een 3½-jaar-jongere plaatsgenote, Jaapje Dirks Roobol. Zij lieten 2 zoons en 2 dochters dopen. 

Bovenstaande personen zijn geen familie. Bronnen: Archieven.nl, FamOfSH CD.

8 juli 2014

De pest in Gouda in 1673

In de periode 1573-1575 was Gouda al door de pest getroffen, maar dankzij immigratie uit met name de Zuidelijke Nederlanden was het inwonertal in de periode 1595-1622 weer toegenomen. In 1625 en 1636 werd Gouda echter opnieuw door pestepidemieën getroffen. Na een korte economische bloeiperiode vanaf 1665, werd Gouda in 1673 getroffen door een zeer zware pestepidemie, waaraan bijna 3000 mensen stierven, ca. 20% van de bevolking.  

Ook de schilder Jan Daemesz de Veth was een slachtoffer: "Hy hadde voor het plaatsnijden te leeren, doch wierde in 't jaar 1625 oud ontrent dertig jaaren, van eene besmettelijke ziekte aangetast, en overwonnen.", zo vermeldde de stadshistoricus Ignatius Walvis (1653-1714). 

Gouda in 1674

19 juni 2014

De echtscheiding en bastaards van Jansje Mader (1859-1949)

Jansje Mader werd op 19-8-1859 in Leiden geboren als dochter van Adrianus Mader en Catharina van der Linden. Jansje was zwanger toen zij op 28-6-1882 in Den Haag trouwde met de aldaar geboren Johannes Nicolaas Amiabel. Een dochter Johanna werd aldaar op 6-10-1882 geboren. Daarna volgden Joahnnes (1884), Adriaan (1886), Catharina (1888) en Cornelia (1890). Johannes Nicolaas Amiabel overleed op 24-1-1894, net 58 jaar oud.

Jansje Mader verhuisde naar Rotterdam. Daar beviel zij op 12-12-1894 van een zoon George Johannes. Een dochter Bertha volgde aldaar op 13-2-1898. Op 3-8-1900 werd een tweeling geboren, Albertus en Hendrik, die dezelfde maand nog overleed. Tenslotte volgde op 4-11-1901 nog een dochter Maria. Jansje was toen inmiddels 42 jaar oud.
Op 27-1-1909 trouwde Jansje in Rotterdam met Gijsbert Johannes Kriellaart (1861-1918). Bij het huwelijk werden 3 kinderen erkend: George Johannes, Bertha en Maria. Gijsbert Johannes kwam uit een aanzienlijke familie met een familiewapen. Zijn gelijknamige grootvader, Gijsbert Johannes Kriellaart (1801-1859), was in staat geweest om iemand te betalen om dienst te doen als plaatsvervanger voor de Nationale-Militie (het leger).

Huwelijksacte van G.J. Kriellaart en Jansje Mader, waarbij 3 kinderen worden erkend

Op verzoek van Jansje Mader werd haar 2e huwelijk op 28-9-1912 door echtscheiding ontbonden wegens "door genoemde Gijsbert Johannes Kriellaart gepleegd overspel". Gijsbert Johannes had daar op 9-9-1912 tevergeefs verzet tegen aangetekend.

15 juni 2014

Het dode kind van Jannigje Vermaas in 1866 in Strijen

In de editie van 15-6-1866 van de Nieuwe Rotterdamsche Courant staat het volgende artikel over een rechtzaak bij het Provinciaal Gerechtshof in Zuid-Holland, waarin de 21-jarige, ongehuwde Jannigje Vermaas, geboren en wonende te Strijen, werd beschuldigd van het vermoorden van haar baby:


Op 8-2-1866 's morgens rond half 4 was Jannigje Vermaas in Strijen "ten huize van haar meester en meesteres" bevallen van een zoontje, waarvan onbekend is of het dood ter wereld kwam of nog even heeft geleegd. Jannigje had het kind namelijk vervolgens in een nabije sloot gegooid. Jacob Adrianus Quartel, melkboer, vond het babylijk in een bij zijn woning gelegen sloot. Toen hij zijn dienstmeid Jannigje ondervroeg, erkende zij die morgen te zijn bevallen en haar kind in de sloot te hebben geworpen. De aangifte van de levenloze baby werd op 9-2-1866 in Strijen gedaan door Quartel samen met de locale veldwachter. 

Bij de rechtzaak werden 7 getuigen gehoord, waaronder 2 deskundigen. De deskundigen verklaarden (1) dat het kind niet geheel voldragen was, maar wel levensvatbaar, (2) dat het lijkje geen uitwendige tekenen van verwonding vertoonde en (3) dat de baby levend in het water was geworpen en daarna "nog krachtige pogingen tot ademhaling" had gedaan. Er werd een tuchthuisstraf voor Jannigje geëist van minstens 5 en hoogstens 20 jaren. Jannigje's advocaat had echter betoogd dat het volstrekt onbewezen was dat het kind na de geboorte had geleefd.