13 april 2015

Jean en Jacques Wolters, 19e eeuwse witte boorden criminelen

Jean Wolters (1810-1889) en zijn jongere broer Jacques Wolters (1823-1885) waren respectabele bankiers in Venlo ... tot de zaken misliepen.

Jean en Jacques waren zonen van Louis Wolters (1787-1859), koopman en bankier, en Anne Ursula van Esch (1786-1856). Jacques Wolters had ook de firma C. De Gruijter - na de dood van zijn schoonvader - voortgezet. Wethouder P. Sander te Venlo sprak als getuige voor de rechtbank met lof over de levenswijze van de beklaagden, over de grote werkzaamheid van Jean Wolters en kon volstrekt geen verkwisting constateren, maar gaf aan dat voor het grote huishouden van Jacques wel veel geld kostte.

In de periode 1883-1884 werden rechtzaken gevoerd tegen de broers Jean en Jacques Wolters wegens:
1.  bankbreuk; door het ten eigen bate aanwenden van gelden of geldswaardige papieren, die hun in bewaring waren gegeven, en door het vervalsen van de boekhouding,
2. het ten eigen bate aanwenden van stukken, behoorende aan een instelling,
3. Jean, als penningmeester van een gemeentelijke instelling van waldadigheid, het verduisteren van gelden boven de f. 4000.
De stichting betrof de Heutz stichting.

De Tijd, 2-7-1883

De beide broers werden bij vonnis der Rechtbank te Roermond failliet verklaard en opgesloten. Voor het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in de zomer van 1883 werden 27 getuigen gedagvaard. Belangrijk waren de verklaringen van de curators in het faillissement. De broers waren ver achter met de boekhouding, waardoor het moeilijk zowel onmogelijk was de balans van de jaren 1865-1878 op te maken. Er was een tekort op de balans van 1½ miljoen gulden. De beide broers werden veroordeeld tot celstraffen van resp. 2 en 1 jaar en ook geldboetes.

Begin 1884 volgde het hoger beroep bij het gerechtshof in Arnhem, waarbij de advocaat-generaal 8 resp. 7 jaar tuchthuisstraf en opnieuw geldboetes eiste.

De Tijd, 28-1-1884

Jean Wolters werd door de Rechtbank in Arnhem veroordeeld tot 6 jaar tuchthuisstraf in het tuchthuis te Leeuwarden. Jacques werd tot 4 jaar "correctioneele" gevangenisstraf veroordeeld. Ook kregen zij geldboetes opgelegd. Beiden dienden een verzoek tot gratie in, maar in beide gevallen werd dit afgewezen en dus moesten de broers de tuchthuisstraf ondergaan.

9 april 2015

Schilder Johannes Adrianus van Cina viel in 1934 van een steiger

Johannes Adrianus van Cina was op 9-4-1872 in Rotterdam geboren als zoon van Paulus van Cina (1833-1923) en Ida van den Born, die op 18-8-1858 in Rotterdam waren getrouwd. Johannes Adrianus was in 1903 na 6 jaar huwelijk gescheiden van zijn eerste echtgenote, Anna Helena Bouwmeester (1868-1912). Daarna trouwde hij 2 zussen; eerst Antonia Gerarda Hofman (1882-1928) en, na haar overlijden, Johanna Antonia Hofman (1880-1952), zie hieronder. Zij waren buitenechtelijke dochters van ene Antonia Hofman.

Voorwaarts, Sociaal-Democratisch Dagblad, 28-11-1928

Johannes Adrianus van Cina werkte als schilder, toen hij op 28-9-1934 's middags van 7½ meter hoog van een steiger viel in de Brielsche Laan in Rotterdam. Met een schedelbreuk werd hij overgebracht naar het ziekenhuis aan de Coolsingel, waar hij is overleden.

Het Vaderland, 29-9-1934.

 Voor meer informatie over de familie Van Cina, zie ook: Wie zijn de ouders van Paulus van Cina (±1750-1815)?.

3 april 2015

De wederwaardigheden van 16e eeuwse Dirck Jacobsz. van Deyl

Uit het testament van de bode Dirck Jacobsz. van Deyl, opgemaakt op 4-4-1584 te Wassenaar, blijkt dat hij nogal gebrouilleerd was met zijn enige zoon Jacob uit zijn eerste huwelijk: 

 Dirck Jacobsz. van Deyl stelt dat Trijtge Willemsdr., zijn eerste vrouw, in de troubelen is overleden en dat zijn middelen van bestaan zeer verminder waren, zodat hij geen kans zag zich te onderhouden, doch dat sommigen van zijn buren hem hebben geholpen.
Hij is tot binnen het huis van zijn zoon Jacob gegaan en is daar enige dagen geweest voor zijn huisvesting, doch deze heeft hem geen bijstand of mondcost gegeven en zijn zoon had hem veel liever laten vergaan, zodat hij genoodzaakt was (overmits hij een oud man was die wel gemak en bijstand behoefde) hem zelfve met een gezellinne en huisvrou ten huwelijk heeft begeven met Neeltge Jansdr., zijn jegenwoordige huisvrouw, die hem tot heden zeer getrouwde diensten heeft bewezen en hem hulp en bijstand heeft verleend. Hij wil derhalve dat zij daarvoor beloond wordt.
Hij verklaart dat Neeltje boven de getrouwe dienst tot zijn onderhoud in de boedel nog gebracht heeft 10 pond groot vlaams haar bij overlijden van haar zoon en dochter aangekomen en nog enige haringen door haar zoon op haringvaart gewonnen. Hij wil dat al zijn bezittingen zullen gaan naar Neeltge en zij moet aan Jacob uitkeren 1 gulden en zo hij daarmee niet accoord gaat, dan zal deze gulden gaan naar de huisarmen van Wassenaar.

Dirck Jacobsz. van Deyl en zijn zoon Jacob zijn voorouders van mijn neefje Thom Bos.

 

29 maart 2015

Mijn grootouder's trouwboekje uit 1917

Mijn opa van moeder's zijde, Pieter de Jong (1892-1973), kwam uit Sprang-Capelle in de Langstraat. Tijdens de Eerste Wereld Oorlog was hij als soldaat gelegerd in Dordrecht, waar hij Willempje Cornelia Zijderveld (1892-1976) leerde kennen. Zij trouwden op 29 maart 1917 in Dordrecht, waarbij opa's moeder, Gerdientje Boeser (1861-1936), als getuige aanwezig was. Hun eerste kind, tante Nel, werd geboren op 24 augustus 1917, dus oma was al 5 maanden zwanger, toen zij jaar ja-woord gaf. Ze zou uiteindelijk 10 kinderen en een miskraam krijgen uit 10 zwangerschappen. Zoals het hoorde werden de oudste 4 kinderen keurig naar hun grootouders vernoemd.

Het trouwboekje van mijn grootouders.

26 maart 2015

Ploenge Cotermans was "in vleijselicke wellust vermenght" in 1633

In het doopboek van de doopsgezinde gemeente te Dordrecht zijn de volgende passages over Ploenge Jan Cotermans te vinden: 
  • Ploenge Jan Jacops Cotermans' dochter is hier omtrent meij 1631 comen wonen, wederom, van Amsterdam.
  • Ploenge Jan Cotermans is hier den 27 ten Meert anno 1633 van der gemeinte afgesondert, omdat zij met een jonghman buijten der gemeinte haer te verde, in vleijselicke wellust vermenght en verloopen hadde
  • Ploenge Jan Cotermans is hier, den 8 ten Meije 1647 met benoeghen der gemeinte, weder door de L[ieve] Outste Mees Ghijsbrechtsz. in de gemeinschap opgenomen.

Dordrecht
Met dank aan: A.B. den Haan, Ons Voorgeslacht 2011.