11 september 2014

De kinderen van Jan Florisse Kleinjan (1800-55)

Jan Florisse Kleinjan (1800-55) was een gegoede boer in Poortugaal. In 1851 werd hij voor ƒ1383,78 aangeslagen voor grond in Poortugaal, Rhoon, Pernis, Groote Lindt, Kleine Lindt, Hendrik-Ido-Ambacht, Meerdervoort, Barendrecht en Charlois. Ook was hij hoogheemraad in Poortugaal en Rhoon.

Met zijn echtgenote, Adriaantje Baas (±1803-75), kreeg Jan 12 kinderen. De oudste zoon, Floris (1822-60) was naar zijn opa van vader's zijde vernoemd. De tweede zoon, Arij Kleinjan, werd geboren op 23-11-1825 in Rhoon. Hij overleed "na eene korstondige ziekte van drie dagen" op 9-9-1847 in Poortugaal, 21 jaar oud. Zijn ouders plaatsten deze advertentie:

Rotterdamsche Courant, 11-9-1847, overlijdensbericht van Arij

Daar bleef het niet bij. Op 29-4-1853 in Poortugaal overleed hun 12-jarige dochter Adriaantje "na een smartelijk lijden". Adriaantje was aldaar geboren 2-11-1840. Haar ouders plaatsten deze advertentie:

Rotterdamsche Courant, 30-4-1847, overlijdensbericht van Adriaantje
Zelf overleed Jan Florisse Kleinjan op 29-11-1855, bijna 55 jaar oud. Zijn weduwe liet de volgende advertentie plaatsen: 

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30-11-1855, overlijdensbericht van Jan

31 augustus 2014

Teunis Centen Eellant (†1701) van 's-Gravendeel

Teunis Centen Eelhant/Eellant/Eenland/Elandt, in 1696 wonende te 's-Gravendeel en in de Mookhoek, was getrouwd met Leijntje Cornelisse. Zij zijn waarschijnlijk dubbele voorouders van mij via hun waarschijnlijke dochters Soetie en Lijsbet. Daar de doopboeken van 's-Gravendeel helaas vernietigd zijn, is er weinig van dit echtpaar bekend. in de periode 1696-97 zijn Leijntje en 4 van hun kinderen overleden: "Den 31 augustij 1696: ontfangen van Teunis Centen Eellant de somme van drie guldens, voor ’t regt van begraven van desselfs vrouw, genaempt Leijntje Cornelis, als gehoorende onder de classis van drie gul." Teunis overleefde haar nog 5 jaar, want in maert 1701 werd "ontfangen van Willem Teunisse Eellant drie guldens voort regt van begraven van ’t lijck van sijn vader, genaemt Teunis Senten Eellant, aengevinge gedaen hebbende onder de classis van drie gulden".

26 augustus 2014

Francis Bersevelt bedreigde Thomas Geldense Paans in 1737

Het Rechterlijk Archief van Loon op Zand getuigt van een langdurige ruzie tussen mijn voorouder Thomas Geldense Paans (1692-1769) en ene Francis Bersevelt, die in een huis van Paans woonde.

Francis Bersevelt voerde in 1737 een civiele procedure tegen Thomas Paans, woonachtig te Capelle, over achterstallige huishuur en een openstaande rekening.  Op verzoek van Francis Bersevelt legde Arnoldus van Reijswijk, vorster, op 10-4-1737 beslag op de goederen van Thomas Paans, wonende te Capelle.

Jan Peetersz. van Tilborgh legde op verzoek van Thomas Geldense Paans op 24-7-1737 in Loon op Zand een verklaring af over hoe Francis Bersevelt genoemde Paans bedreigd heeft. Corstiaan van Wanrooij, Jan Coenen van Boxel, Gerrit van Hal, Peeter Valentijn en Huijbert Conings, legden op verzoek van Francis Bersevelt op 15-11-1737 in Loon op Zand een verklaring af over zijn ruzie met Thomas Paans. 

Op 10-5-1738 legde Adriaan Drossaars, wonende te Waalwijk, op verzoek van Thomas Paans, wonende te Capelle, een verklaring af over dat Francis Berseveldt nooit ramen of kozijnen bij hem gekocht heeft. Op 15-5-1738 legde Jan Kievits, oud-schepen, op verzoek van Thomas Paans een verklaring af over dat Francis Bersevelt nooit hout bij hem heeft gekocht. Bastiaan Anthonijsz. Timmermans, meester-timmerman, verklaart in opdracht van Paans gewerkt te hebben aan het huis waarin Bersevelt woont.

Op 25-10-1738 leggen Jan Vos, wonende te 's-Grevelduin-Capelle op de Nieuwe Vaart, en Hendrik van Osch, op verzoek van Thomas Paans een verklaring af over dat Francis Bersevelt woont in een huis van genoemde Paans.

Op 16-9-1739 werd Barsevelt veroordeeld tot het betalen van 64 gulden huishuur, verminderd met de schuld van 20 gulden en 18 stuivers in verband met geleverde winkelwaarde. 

20 augustus 2014

Het kalf van Wouter Ophorst (1836-84)

De landbouwer Wouter Ophorst werd geboren op 2-11-1836 in Sprang-Capelle. Net als ik is hij een nakomeling van Cornelis Ophorst (1691-1771). Wouter trouwde in 1862 met Antonetta van der Hoeven, weduwe van Dirk Verheijden. Hun kinderen Arie, Adriaan en Maria Adriana bereikten de volwassen leeftijd. Wouter Ophorst overleed op 29-2-1884. Zijn weduwe op 18-7-1886. 

In de zomer van 1882 werd een kalf van Wouter Ophorst mishandeld en gedood: 

Echo van het Zuiden, 20-8-1882

12 augustus 2014

Jansje Verhoog (1810-84) werd door haar echtgenoot verlaten

Jannetje (Jansje) Verhoog werd op 9-4-1810 in Leiden geboren en 2 dagen later in de Pieterskerk gedoopt. Haar vader was Adrianus Verhoog. Haar moeder was waarschijnlijk Sara Dreeft. Jansje was nog maar 19 toen zij op 3-12-1829 in Leiden trouwde met Johan(nes) Beat(us) Mader. Johan Beatus was op 11-12-1805 in Grosswangen in Zwitserland gedoopt als zoon van Johannes Mader. 

Johan Beatus Mader was kort voor zijn huwelijk in garnizoen te Gorinchem. Later was hij schrijnwerker. Hun eerste kind werd op 9-8-1830 in Leiden geboren en Adrianus genoemd naar Jansje's vader. Daarna volgden Johan Beatus jr. (1834) en Abraham (1838). 


Vervolgens heeft Johan Beatus zijn vrouw en kinderen verlaten. Jannetje Verhoog verdiende de kost als naaister. Na verloop van tijd wilde Jansje gaan scheiden, maar de verblijfplaats van Johan Beatus was onbekend. Er werd een oproep geplaatst dat Johan Beatus voor de rechtbank diende te verschijnen, maar hij kwam niet opdagen. Daarop werd op 25-2-1851 het huwelijk van Jannetje Verhoog en Johannes Beatus Mader ontbonden door echtscheiding.